“Textuur” beschrijft hoe voorkeursrichtingen en anisotropieën zich ordenen in de “energieseëen”: welke richtingen sterker uitlijnen, waar ringvormige recirculatie optreedt, en of er kanalen met geringe verliezen ontstaan. Textuur beantwoordt niet de vraag “hoeveel” (dichtheid) of “hoe strak” (spanning). Zij geeft aan hoe het patroon wordt gelegd en langs welke ketens van richtingen beweging het soepelst en stabielst verloopt. In verschijningsvorm komt dit overeen met wat we gewoonlijk een “veld” noemen: een radiale richtingsbias oogt elektrisch-achtig, een ringrecirculatie magnetisch-achtig; vaak treden beide samen op.


I. Gelaagde definitie (drie niveaus volstaan)


II. Taakverdeling met dichtheid en spanning (ieder zijn rol)

Vier veelvoorkomende combinaties:


III. Waarom textuur ertoe doet (vier robuuste effecten)


IV. Hoe het wordt waargenomen (meetbare aanwijzingen)


V. Belangrijkste eigenschappen (operationele beschrijvingen voor lezers)


VI. Samengevat (drie kernpunten)