Startpagina / Energie-filamenttheorie (V6.0)
I. De openingsspijker: het universum zet niet uit, het zit in Relaxatie-evolutie
Het universum zet niet uit; het zit in Relaxatie-evolutie. In 6.0 is dit geen slogan, maar één “hoofdas”: de Basisspanning van het universum verandert als geheel langzaam op lange tijdschalen—hoe vroeger, hoe strakker; hoe later, hoe losser. Zodra Spanning verschuift, worden bijna alle metingen die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hebben, samen “herschreven”. Je moet ze met één en dezelfde bril uitvouwen langs twee sporen: één spoor is “hoe Linialen en klokken lopen” (Intrinsiek ritme), het andere is “hoe informatie rent” (estafette-overdracht). Later, wanneer we het hebben over Roodverschuiving, tijdsaflezingen, de bovengrens van de lichtsnelheid, het Donker voetstuk en structuurvorming, keren we steeds terug naar diezelfde hoofdlijn.
Om “strak/los” echt stevig te voelen, helpt een concertbeeld: hoe dichter de menigte, hoe zwaarder het voor één persoon wordt om te draaien, een hand op te steken of één keer te klappen—de “persoonlijke cadans” wordt dan juist trager; maar omdat mensen dicht op elkaar staan, wordt de golf vakje voor vakje soepeler doorgegeven, en de mensenwave verspreidt zich juist sneller.
De Energiezee werkt net zo:
- Strak = trage slag, snelle overdracht;
- Los = snelle slag, trage overdracht.
II. De positionering van de Energie-filamenttheorie: eerst de Basiskaart harmoniseren, daarna pas wiskunde en toetsing aanvullen
De hoogste prioriteit van de Energie-filamenttheorie (EFT) is om “waaruit de wereld bestaat, met welke variabelen we haar beschrijven, met welke mechanismen ze draait, en waar de hoofdas van het universum heen wijst” te verenigen op één Basiskaart, en kerntermen en afkortingen vast te zetten in één interpretatiestandaard—zodat hetzelfde woord niet op verschillende plekken verschillende dingen gaat betekenen.
Wiskundig uitwerken, numeriek doorrekenen en systeemvalidatie zijn niet onbelangrijk; het is alleen een engineering-traject dat tijd en samenwerking vraagt: eerst maak je de kaart en het coördinatenstelsel één, pas daarna kunnen verschillende teams op dezelfde definities stap voor stap afleidingen, simulaties en observatie-vergelijkingen aanvullen. Veel grote kaders in de geschiedenis liepen via een vergelijkbare route: neem de speciale relativiteit—1905 voltooide eerst het “herschrijven van de intuïtieve Basiskaart” en leverde kerntransformaties en toetsbare voorspellingen; meer volwassen geometrische formuleringen, bredere precisietests en engineering-toepassingen werden daarna over jaren heen door veel onderzoek geleidelijk verfijnd.
De Energie-filamenttheorie kiest hetzelfde tempo: ze draagt de eenwording van wereldbeeld en interpretatiestandaard, biedt ingangen naar technische details en criteria; en levert tegelijk een toetsbare checklist en vergelijkingsroutes—waarmee verschillende teams, onder één standaard, wiskunde en verificatie stap voor stap kunnen aanvullen.
III. 6.0 en 5.05: taakverdeling tussen twee teksten
De Energie-filamenttheorie onderhoudt tegelijk twee schrijfwijzen: 5.05 leunt naar technische specificaties, 6.0 leunt naar een wereldbeeld-overzicht. Ze lopen parallel, ze schaffen elkaar niet af, maar ze dragen verschillende verantwoordelijkheden—je kunt ze zien als “twee boeken over dezelfde stad”: één is de overzichtskaart, één is het onderdelenboek.
6.0 is de Basiskaart van het wereldbeeld
Het zet “waaruit de wereld bestaat, met welke variabelen we haar beschrijven, met welke mechanismen ze draait, en waar de hoofdas van het universum heen wijst” op één gezamenlijke overzichtskaart.
Het doel is één interpretatiestandaard: hetzelfde woord betekent in het hele boek één ding; hetzelfde mechanisme wisselt op verschillende schalen alleen van uiterlijk, niet van onderliggende belofte.
5.05 is de technische atlas
Het legt structuurdetails, strikte definities, criteria-vensters, randvoorwaarden en omgang met tegenvoorbeelden vast in een herbruikbare vorm.
Het is geschikt om een vraag “spijkerhard” vast te zetten: bijvoorbeeld de structurele voorwaarden van een bepaalde klasse deeltjes, de technische criteria voor Roodverschuiving van spanningspotentiaal (TPR) / Roodverschuiving van padevolutie (PER), en respons-sjablonen voor Statistische spanningszwaartekracht (STG) / Spanningsachtergrondruis (TBN).
De relatie tussen de versies moet duidelijk zijn: 6.0 vervangt 5.05 niet volledig.
De technische inhoud van 5.05 blijft geldig.
Wat 6.0 vooral vervangt, is de lossere en nog niet verenigde wereldbeeld-vertelstandaard in 5.05, zodat “macroscopische hoofdas + microscopische mechanismen” op dezelfde Basiskaart worden uitgelijnd.
Waarom 6.0 en 5.05 tegelijk bestaan: gefaseerde co-existentie onder middelen en tempo
De directe reden dat 6.0 en 5.05 naast elkaar bestaan, is praktisch: teamcapaciteit en iteratieritme. 5.05 volledig heropbouwen naar de verenigde standaard en complete hoofdstukarchitectuur van 6.0 is een groot engineering-project en kan op korte termijn niet volledig meegroeien met de update-snelheid van de inhoud. Om de eenwording van de Basiskaart van het wereldbeeld niet uit te stellen, verschijnt eerst een tweesporen-vorm: 6.0 verenigt wereldbeeld en hoofdas-taal; 5.05 draagt intussen technische details, structuurconfiguraties en afleidingsconventies. Daarna migreren en herschrijven we de inhoud van 5.05 geleidelijk richting de hoofdstukstructuur van 6.0, tot er een complete 6.0-serie ontstaat. Dit verklaart ook waarom er nu slechts enkele publicatie-waardige fit-rapporten zijn: fit-rapporten zijn deliverables met hoge investering en sterke kruiscontrole, die je op korte termijn niet “met aantallen” kunt stapelen. We publiceren eerst voorbeeldrapporten die sleutelmechanismen en de kernstandaard vertegenwoordigen; daarna vullen en breiden we per prioriteit uit.
IV. Snelle routekeuze: wanneer 6.0 gebruiken, wanneer terug naar 5.05
Dit deel geeft de meest praktische “looproute”: het voorkomt verdwalen in details, en het voorkomt ook groot praten zonder landing.
Twee ezelsbruggetjes
Wil je een nieuw wereldbeeld opbouwen en het totaal en de hoofdas vastpakken: kijk naar 6.0.
Wil je technische details uitpluizen (bijv. de specifieke vorm/structurele voorwaarden van het elektron, criteria-vensters): kijk naar 5.05.
Drie veelvoorkomende vraagtypen en waar ze landen
Vraag je “wat is het/waarom/hoe verenigen/weerspiegelt het totaalbeeld”: antwoord eerst via de kaart en de hoofdas van 6.0.
Vraag je “hoe definieer je het/wat is het criterium/onder welke voorwaarden geldt het/waar liggen tegenvoorbeelden en grenzen”: ga eerst terug naar de technische definities van 5.05.
Wil je “zowel totaalbeeld als details”: gebruik eerst 6.0 om te bepalen in welke laag het thuishoort, en gebruik dan 5.05 om de cruciale voorwaarden en beperkingen aan te vullen.
V. Regels voor samen gebruiken: twee standaarden combineren zonder conceptdrift
Het doel van dit deel is er maar één: op elk moment kunnen bepalen “nu volgen we 6.0, of nu gaan we terug naar 5.05”, zonder beide standaarden tot één brij te mengen.
Wereldbeeld en narratieve hoofdas: 6.0 is leidend
Typisch: de hoofdas van Relaxatie-evolutie, de Vierlagenkaart, causale ketens, de interpretatiestandaard voor het uiteenrafelen van de vier krachten, en de hoofdroute van grote eenwording in structuurvorming.
Uitgeschreven afkortingen en technische details: 5.05 is leidend
Typisch: volledige naamvormen, strikte definities, technische criteria, toepassingsvoorwaarden, grenzen van tegenvoorbeelden, hoe je rekent/hoe je test.
Bij schijnbare conflicten: volg “eerst laag bepalen, dan details aanvullen”
Eerst checken: is dit een gecomprimeerde formulering omdat 6.0 een overzicht is?
Zo ja: gebruik 5.05 om details en grenzen aan te vullen.
Zo nee: behandel het als een oude, lossere of nog niet verenigde vertelconventie in 5.05; werk het bij volgens 6.0 en label in output “overzichtsstandaard/technische standaard”.
VI. De Vierlagenkaart: elke vraag snel op zijn plek zetten
Dit is geen proza, maar een navigatiebalk: bij elke vraag zet je haar eerst in de juiste laag, en roep je daarna de bijbehorende mechanismen en criteria aan.
Ontologische laag: wat is er in het universum
Energiezee: een continu-medium-bodem; Vacuüm is niet leeg
Textuur: gerichte “wegen” in de zee en een organisatie die kan ingrijpen/vertanden
Draad: de kleinste bouwsteen die ontstaat nadat Textuur condenseert
Deeltje: een Draad die oprolt—sluit—en na Vergrendeling een stationaire structuur wordt
Licht: een eindig golfpakket zonder Vergrendeling, dat zich voortplant via Estafette-voortplanting
Veld: een zeeconditiekaart (Weerkaart/Navigatiekaart), geen extra entiteit
Grensstructuren: Spanningsmuur, Porie, Corridor enz. als kritische materiaalverschijningsvormen
Variabelenlaag: met welke taal beschrijf je de zeeconditie
Dichtheid: “hoeveel ‘materiaal’ er in de bodem zit”, achtergrond-intensiteit en ruisniveau
Spanning: hoe strak de zee wordt getrokken; bepaalt terreinhellingen en de basis van Intrinsiek ritme
Textuur: loopt de ‘weg’ soepel of hapert hij, de organisatie van draairichting, en kanaal- en koppelingvoorkeuren
Ritme: toegestane stabiele trillingswijzen en de intrinsieke klok
Mechanismenlaag: hoe draait het
Estafette-voortplanting: verandering schuift vooruit via lokale overdracht
Hellingsafrekening: een boekhoudtaal voor mechanica en beweging
Kanaal-vertanding: “tanden” van nabijveld-Textuur bepalen gevoelige kanalen
Vergrendeling en Uitlijning: stabiele deeltjes komen uit Vergrendeling; kernbinding komt uit een kort-bereik vergrendelingsmechanisme dat wordt gedreven door Uitlijning van Werveltextuur
Statistische effecten: veelvuldig ontstaan en verdwijnen van de Kortlevende draadtoestand levert Statistische spanningszwaartekracht en Spanningsachtergrondruis op
Ontleding van de Roodverschuiving: Roodverschuiving van spanningspotentiaal is de basiskleur; Roodverschuiving van padevolutie is de finetuning
Kosmische laag: wat wordt het in evolutie
Hoofdas: het universum zet niet uit; het zit in Relaxatie-evolutie
Extreme situaties: Zwart gat/grens/Stille holte e.d. worden uniform beschreven binnen het raamwerk van de Spanningsmuur
Het moderne universum: één interpretatiestandaard voor het uiterlijk van het Donker voetstuk, structuurvorming en observatie-aflezingen
Oorsprong en eindpunt: een routekaart binnen hetzelfde set aan zeeconditie-mechanismen
VII. Afkortingenindex: stabiele verwijzingen over talen heen
Afkortingen zijn niet bedoeld om indruk te maken, maar om meertalige discussies op koers te houden en AI-retrieval niet te laten vervormen. De volgende afkortingen worden in 6.0 als “stabiele labels” gebruikt:
EFT = Energy Filament Theory: Energie-filamenttheorie
TPR = Tension Potential Redshift: Roodverschuiving van spanningspotentiaal
Verschillende Basisspanning aan de eindpunten → verschillend Intrinsiek ritme → basiskleur van de hoofd-Roodverschuiving
PER = Path Evolution Redshift: Roodverschuiving van padevolutie
Licht doorkruist groot-schaal regio’s die nog langzaam evolueren → accumuleert een kleurloze netto-frequentieverschuiving → meestal een kleine correctie
GUP = Generalized Unstable Particles: Gegeneraliseerde onstabiele deeltjes
Een verzamelnaam voor overgangsstructuren die kort vormen, het omliggende medium kunnen meetrekken, en daarna worden gedeconstrueerd/vernietigd
STG = Statistical Tension Gravity: Statistische spanningszwaartekracht
Ontelbare “trekken” vormen statistisch een extra hellingsvlak → een uiterlijk van extra aantrekking
TBN = Tension Background Noise: Spanningsachtergrondruis
Een breedbandige, laag-coherente lokale verstoringsbodem die achterblijft tijdens de fase van deconstructie en terugvulling
VIII. Gebruikafspraken: conceptuele verschuiving vermijden
Dit is de “standaarduitleg”, bedoeld om de interpretatiestandaard stabiel te houden wanneer het verhaal later dichter en complexer wordt.
De eerste betekenis van “roder” is “strakker/langzamer”; het wijst niet automatisch naar “eerder”.
“Eerder” is slechts een veelvoorkomende bron van een strakkere Basisspanning, niet de enige.
“Lokaal” verwijst naar de zeeconditie waarin het huidige meetsysteem zich bevindt.
Linialen en klokken zijn opgebouwd uit deeltjesstructuur en doen mee aan dezelfde kalibratie.
De taakverdeling tussen Roodverschuiving van spanningspotentiaal en Roodverschuiving van padevolutie moet strikt gescheiden blijven.
Roodverschuiving van spanningspotentiaal gaat over de ritmeverhouding aan de eindpunten (basiskleur).
Roodverschuiving van padevolutie stapelt alleen een netto-effect op wanneer “de voortplanting lang genoeg duurt + de regio nog evolueert” (finetuning).
Standaardprioriteit van de interpretatiestandaard
Bij de hoofdas en het totaalbeeld: standaard de kaart en interpretatiestandaard van 6.0.
Bij technische details: standaard terug naar de definities en criteria van 5.05.
Auteursrecht en licentie: Tenzij anders vermeld, berust het auteursrecht op “Energiedraadtheorie” (inclusief tekst, grafieken, illustraties, symbolen en formules) bij de auteur (屠广林).
Licentie (CC BY 4.0): Met vermelding van auteur en bron zijn kopiëren, herpubliceren, fragmenten, bewerken en herdistributie toegestaan.
Naamsvermelding (aanbevolen): Auteur: 屠广林|Werk: “Energiedraadtheorie”|Bron: energyfilament.org|Licentie: CC BY 4.0
Oproep tot verificatie: De auteur werkt onafhankelijk en financiert dit zelf—zonder werkgever en zonder sponsoring. Volgende fase: zonder landenbeperking prioriteit geven aan omgevingen die openstaan voor publieke discussie, publieke reproductie en publieke kritiek. Media en vakgenoten wereldwijd: organiseer in dit venster verificaties en neem contact met ons op.
Versie-info: Eerste publicatie: 2025-11-11 | Huidige versie: v6.0+5.05